De naald haakte het heden aan een verleden
Geplaatst
Mijn broer, zijn vrouw, en hun twee kinderen had ik als verjaardag een kaartje voor Introdans, Larbi, gegeven. Zij wonen in Neede en Eibergen, daarom werd het een voorstelling in het Wilminktheater in Enschede, op woensdag. Ik ging dinsdag al op pad omdat ik onderweg, in Zwolle, koffie wilde drinken met mijn nicht Margreeth en dat zou qua tijd op woensdag niet kunnen als ik én koffie wilde drinken in Zwolle én buiten de spits wilde reizen én op tijd in Neede wilde zijn.
Als ik naar Neede ga reis ik de laatste twee-drie jaar via Enschede en daarvandaan met de bus naar Neede – een rit die ik heel vaak gemaakt heb, een rit die heel veel saaier geworden is. Bus rijdt nu zo snel mogelijk de stad uit, stopt niet voordat die zo ongeveer in Haaksbergen is, over een weg waar je snel mag rijden en waar niks te zien is behalve auto’s en vrachtwagens.
Toen was dat anders. Toen, de eerste keren waren in 1962. De bus hobbelde door de stad, langs een oude textielfabriek, langs huizen waarbij je iets kon fantaseren. Wat later langs links de Lasondersingel waar Joke B. woonde. Wij verbleven allebei in de herfst van 1963 in Vormingscentrum De Vonk in Noordwijkerhout – ook de 22e november, ja. Maar dat is een ander verhaal. De bus reed ook langs een plein rechts, daar moest je heen als je naar de moeder van Ukkie wilde. Ukkie was iemand uit mijn kinderjaren. Opa K. en zijn vrouw hadden haar een poosje in hun huis opgenomen. Mijn mama en papa gingen in datzelfde huis wonen, in 1946, toen ze getrouwd waren. Mijn moeder woonde daar al. Ukkie kwam af en toe op bezoek en ik heb minstens één keer bij Ukkie gelogeerd toen ik nog niet naar school ging. Ukkie’s papa was er niet meer en voor Ukkie’s mama was ik een beetje bang.
Ik heb een poosje in Enschede gewerkt en op een zonnige zomerdag was er die vrolijke chauffeur die zijn laatste werkdag had voor zijn vakantie en alle haltes omriep. Dat gebeurde anders nooit. Café het Oude haasje en een eindje verder café het Nieuwe haasje , of omgekeerd, riep hij met een bijna dansende stem.
Nadat ik in Haaksbergen gewerkt had, waren daar ook “O ja”-herinneringen. Cafetaria de Vijfhoek (die echt bij een vijfhoek stond) waar we wel eens een patatje gingen halen in de pauze. Of soep. Dat kon nét. De textielbazen Jordaan ter Weeme gaven ons precies genoeg tijd daarvoor. Uit en in de bus stappen bij de Grote Kerk. Die o ja’s zijn er nog wel, neem ik aan, maar de bus laat ze links of rechts liggen, huppekee, zo snel mogelijk over de weg waar je hard mag rijden naar Neede.
Voordat we het dorp inrijden, niet meer via de Haaksbergseweg naar via de Eibergseweg, hoe daarvoor de wegen veranderd zijn is mij nog steeds een raadsel, ik weet alleen dat ik altijd het idee heb dat de bus een grote omweg maakt, zie ik geen enkele ‘o ja’ meer. Toch jammer.
Eigenlijk haakte het heden ook helemaal niet aan een verleden. Er is eerder een tijdsgat in het breiwerk gekomen dat ik niet dicht kan mazen. Mazen heb ik nooit geleerd. Op de Lagere School kregen we wel handwerklas, op eindeloos lang durende saaie woensdagmiddagen, je mocht niet eens praten met de klasgenoot naast je in de bank. De bedoeling was wel dat je er leerde mazen. En sokken breien. De maaslap, die je eerst zelf moest breien – met katoengaren dat stijf en zwart werd van mijn vingers – heb ik nog wel afgekregen. Er was geen schooltijd meer om op die maaslap te borduren en het was ook de laat dat de juffrouw een gat in de maaslap knipte dat ik dan dicht moest mazen. We gingen van school af. Het was juni of juli 1959 geworden.